Zero For Three: ontdekken, verdwalen en verrast worden
Afgelopen weekend vond op het terrein van de Muziekgieterij in Maastricht de tweede editie van het gratis festival Zero For Three plaats. Het festival profileert zich als een ontdekkingsfestival voor muziekliefhebbers die openstaan voor nieuw talent en onbekende geluiden.
Tegelijkertijd presenteert Zero For Three een allesbehalve flauwe line-up, waarin beginnend talent naast gevestigde namen staat. Met een mix van indie, postpunk, rock, pop en elektronische muziek was er tussen de meer dan dertig geprogrammeerde acts voor vrijwel iedere muziekliefhebber iets te vinden.
Bureau Lahaut ging kijken. Niet alleen naar wat er op het podium gebeurde, maar ook naar wat eromheen ontstond. Want hoe zorg je ervoor dat mensen naar muziek komen luisteren die ze nog niet kennen? En leidt een laagdrempelig festival ook daadwerkelijk tot een breder publiek?
Muziekgieterij verandert in festivalparadijs
Voor de vaste bezoeker van de Muziekgieterij wachtte bovenaan de trap naar de ingang een aangename verrassing. Op het grasveld had zich een heus festivalterrein gevormd, compleet met buitenpodium, foodtrucks en bars. Ook binnen viel meer te ontdekken dan gebruikelijk: naast de bekende grote en kleine zaal was een derde podium verrezen, de ‘Encore Stage’.
Wie even wilde ontsnappen aan de drukte, kon binnen en buiten neerstrijken op een bankje of in een loungestoel. En ook aan de echte die-hard fans was gedacht: in de merch-tent kon je een praatje maken met artiesten of met een nieuw T-shirt naar huis.
Daarmee doet Zero For Three meer dan een reeks concerten programmeren. Voor één dag verandert de Muziekgieterij van poppodium in een omgeving waarin verblijf, ontmoeting en ontdekking minstens zo belangrijk zijn als het zien van één specifieke artiest. Bezoekers bewegen tussen zalen, buitenpodium, horeca en ontmoetingsplekken en stellen min of meer hun eigen programma samen.
Die aanpak past binnen een bredere ontwikkeling bij poppodia. De Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals (VNPF) signaleert dat podia steeds vaker buiten de klassieke concertvorm opereren en bijvoorbeeld op andere locaties programmeren om nieuw publiek te bereiken, talentontwikkeling te stimuleren en bij te dragen aan toegankelijkheid en sociale cohesie. Ook in eerder onderzoek naar de popsector wordt de ‘festivalaanpak’ genoemd: podia kunnen meerdere zalen of locaties inzetten en bezoekers zo een bredere muziekervaring bieden.
Van postpunk tot akoestische techno
Wie bij een gratis festival een karige line-up verwachtte, moest die verwachting bij Zero For Three snel bijstellen. Met onder meer Kurt Vile, Yong Yello, Cardinals, Basht en Yasmine Hamdan stonden er meerdere klinkende namen op het programma.
Ook wie talent van dichter bij huis wilde ontdekken, kwam aan zijn trekken. Met een groot aandeel Nederlandse en Belgische artiesten bood het festival volop gelegenheid om nieuwe namen te leren kennen. Bovendien durfde de organisatie een grote diversiteit aan genres te programmeren, passend bij het streven bezoekers kennis te laten maken met ‘onbekende geluiden’.
Zo kon je genieten van de akoestische house- en technobeats van NAFT, het rauwe postpunkgeluid van Grote Geelstaart, de rockende indiesound van Kurt Vile & The Violators en de kwetsbare queer indiepop van Dressed Like Boys. En dat was nog maar een greep uit het programma.
Die brede programmering bood volop kansen om een onbekend genre of een nieuwe artiest uit te proberen. Juist daarin vervullen poppodia en festivals een belangrijke culturele functie. Ze presenteren niet alleen artiesten die al publiek trekken, maar bieden ook ruimte aan nieuw talent en muziek die buiten de mainstream valt. Poppodia zijn daarmee belangrijke schakels in talentontwikkeling en artistieke vernieuwing.
Collectieve energie?
De grote diversiteit leverde tegelijkertijd niet automatisch de collectieve energie op die ontstaat wanneer honderden fans speciaal voor dezelfde artiest komen. Er werd bij sommige optredens relatief weinig meegezongen en grote moshpits bleven geregeld uit. Soms stonden bezoekers opvallend afwachtend naar een optreden te kijken.
Cultureel kapitaal
Maar misschien laat juist dat een interessante spanning zien. Publieksverbreding betekent ook dat bezoekers niet allemaal dezelfde voorkennis, voorkeuren en concertgewoonten meenemen. Zoals socioloog Pierre Bourdieu liet zien, hangt hoe vanzelfsprekend iemand zich in een culturele omgeving beweegt mede samen met de culturele bagage en ervaringen die iemand heeft opgebouwd. Wie nieuw publiek binnenhaalt, haalt dus ook mensen binnen voor wie de ongeschreven regels van een poppodium minder vanzelfsprekend zijn.
Geen ticket, minder drempels
Waar Zero For Three misschien wel het meest in uitblonk, was het wegnemen van barrières voor festivalbezoek. Niet alleen was de toegang gratis, er waren überhaupt geen tickets nodig. Daarmee lag de drempel om een kijkje te nemen bijzonder laag.
Wie pas op de dag zelf besloot het festival te bezoeken, hoefde niet eerst op zoek naar een beschikbaar ticket of zich zorgen te maken over een uitverkochte editie. Je kon simpelweg de trap vanaf het Bassin oplopen en je tussen de andere festivalbezoekers begeven.
Dat is interessanter dan alleen het financiële voordeel van een gratis festival. Een ticket kopen betekent namelijk ook dat je vooraf een keuze moet maken: vind ik deze artiest leuk genoeg? Is dit festival iets voor mij? Wil ik hier geld en tijd aan besteden?
Zero For Three draait dat mechanisme gedeeltelijk om. Je hoeft vooraf niet te weten of iets bij je past. Je hoeft vooraf niet te weten of een artiest of festival bij je past. Je kunt zonder verplichtingen binnenlopen, iets nieuws proberen en ter plekke ontdekken wat je aanspreekt.
Daarmee verlaagt het festival niet alleen een financiële, maar ook een psychologische drempel. Dat is relevant in een tijd waarin toegankelijkheid binnen de popsector onder druk staat. De VNPF waarschuwt dat stijgende kosten de financiële toegankelijkheid van concerten en festivals kunnen verminderen. Tegelijkertijd kan financiële druk ervoor zorgen dat podia juist minder ruimte krijgen om te investeren in publieksontwikkeling en risicovolle programmering.
Een ander publiek brengt andere concertcodes mee
Die lage drempel leek ook gevolgen te hebben voor wat er vóór de podia gebeurde.
Een deel van het publiek leek minder vertrouwd met de gebruikelijke mores van liveoptredens. De zogenoemde ‘Dutch Disease’ – uitgebreid praten tijdens een optreden – was bij sommige concerten duidelijk aanwezig. Ook bleef het publiek regelmatig relatief ver van het podium staan, waardoor soms opvallend grote gaten ontstonden. Hier en daar gingen die-hard fans enthousiast los, maar over het algemeen werd er niet bijzonder veel gedanst.
Je kunt dat zien als een gebrek aan festivalsfeer. Maar er is ook een andere interpretatie mogelijk.
Wanneer je de drempel verlaagt voor mensen die niet iedere week in een poppodium staan, haal je ook bezoekers binnen die de ongeschreven regels van zo’n plek minder goed kennen. Vanuit het perspectief van publieksverbreding is dat eigenlijk interessant. Een nieuw publiek hoeft zich niet vanaf het eerste moment hetzelfde te gedragen als het bestaande publiek.
De vraag wordt dan eerder: hoe zorg je ervoor dat nieuwe bezoekers zich onderdeel gaan voelen van de plek en de gemeenschap die daar ontstaat?
Dat raakt aan een bredere ontwikkeling bij poppodia en culturele broedplaatsen. Uit een eerdere vergelijking van Bureau Lahaut tussen verschillende podia blijkt dat deze plekken steeds vaker méér zijn dan alleen een podium voor optredens. Ze functioneren ook als sociale omgeving, waarin ontmoeting, communityvorming, talentontwikkeling en laagdrempeligheid samenkomen.
Een publiek bouw je in die benadering niet alleen door kaartjes te verkopen. Je bouwt ook aan een relatie met bezoekers.
Maar wie loopt er eigenlijk rond?
Hoewel het festival nadrukkelijk inzet op toegankelijkheid en laagdrempeligheid, leek er tijdens ons bezoek toch een vrij specifieke groep op af te komen. Wat ons opviel, was dat het publiek overwegend wit leek. Ook jongeren en studenten waren in onze waarneming relatief weinig vertegenwoordigd, al waren er wel bezoekers die hun kinderen hadden meegenomen.
Dat is opvallend in een studentenstad als Maastricht. De programmering zelf wist ondertussen verschillende soorten muziekliefhebbers bij elkaar te brengen. Ouderwetse punkers en rockliefhebbers liepen rond naast bezoekers met een meer mainstream muzieksmaak. In muzikale voorkeur was het publiek daarmee behoorlijk uiteenlopend.
Onze observaties zijn uiteraard geen publieksonderzoek. Maar ze roepen wel een interessante vraag op: is het wegnemen van drempels voldoende om nieuw publiek te bereiken?
Gratis toegang maakt deelname mogelijk, maar zorgt er niet automatisch voor dat iedere groep zich aangesproken, vertegenwoordigd of uitgenodigd voelt. Daarvoor spelen ook programmering, communicatie, bestaande netwerken, samenwerkingspartners en de sociale identiteit van een culturele plek een rol.
Ook bij andere onderzochte poppodia en culturele plekken zien we dat samenwerking en lokale verankering belangrijke instrumenten zijn om verschillende gemeenschappen te bereiken. Organisaties werken bijvoorbeeld samen met onderwijsinstellingen, talentontwikkelaars, buurtorganisaties en andere culturele partijen.
Wie zijn publiek wil verbreden, moet daarom niet alleen vragen: welke drempels kunnen we wegnemen? Minstens zo belangrijk is de vraag: via welke mensen en netwerken bereiken we groepen die nu nog niet vanzelfsprekend binnenkomen?
Van doelgroep naar community
Daarmee komen we misschien bij een fundamentelere vraag. Moet een festival als Zero For Three eigenlijk proberen één duidelijk festivalpubliek te creëren?
Een traditioneel concert verzamelt mensen rondom een gedeelde voorkeur: iedereen heeft immers een kaartje gekocht voor dezelfde artiest. Bij een gratis ontdekkingsfestival werkt dat anders. De gemene deler hoeft niet te zijn dat iedereen dezelfde muziek leuk vindt. De gemene deler kan ook nieuwsgierigheid zijn.
Dat levert een ander soort community op. Minder gebaseerd op één genre, subcultuur of artiest en meer op het idee dat je samen iets nieuws kunt tegenkomen.
Juist voor poppodia en culturele broedplaatsen is dat interessant. Zij combineren steeds vaker verschillende functies: maken, leren, optreden, ontmoeten en ontdekken lopen door elkaar. Ook Slachthuis in Haarlem formuleerde zijn rol bijvoorbeeld rond vijf functies: opleiden, ontwikkelen, optreden, ontdekken en ontmoeten.
Zero For Three laat zien hoe zo’n combinatie er op festivalniveau uit kan zien. Niet iedereen hoeft voor hetzelfde te komen, zolang er maar genoeg redenen zijn om te blijven hangen.
De balans: ruimte maken voor het onbekende
Zero For Three doet veel goed. Het festival biedt een verrassend sterke en diverse line-up, creëert een aantrekkelijke festivalsfeer rond de Muziekgieterij en maakt festivalbezoek dankzij de gratis en ticketloze toegang bijzonder laagdrempelig.
Publieksverbreding begint niet bij het programmeren van ‘iets voor iedereen’. Het begint bij het creëren van omstandigheden waarin mensen bereid zijn iets te proberen wat ze nog niet kennen.
De gratis toegang helpt daarbij, maar minstens zo belangrijk is de inrichting van het festival als ontdekplek. Meerdere podia, uiteenlopende genres, plekken om te blijven hangen en een programma waarin gevestigde namen naast onbekend talent staan, maken het mogelijk om zonder veel risico van de ene naar de andere muzikale wereld te bewegen.
Tegelijkertijd maakt Zero For Three duidelijk dat laagdrempeligheid niet vanzelf tot een divers publiek leidt. Wie andere groepen wil bereiken, zal hen ook actief moeten uitnodigen en relaties moeten opbouwen via communicatie, programmering, samenwerkingen en communities.
Misschien zit daar uiteindelijk de interessantste les voor poppodia en culturele broedplaatsen. Een culturele plek hoeft niet alleen een plek te zijn waar publiek komt kijken naar iets wat het al kent. Het kan ook een plek zijn waar mensen rondhangen, elkaar tegenkomen, iets uitproberen en zich laten verrassen.



