Culturele sector

Gespecialiseerd in de culturele sector

Bureau Lahaut is een full service onderzoeksbureau dat zich onder andere gespecialiseerd heeft in de culturele sector. Door statistieken te verzamelen en van duiding te voorzien geven wij daarnaast een algemeen inzicht in de sector om zodoende de sector als geheel te versterken.

Afbakening culturele sector

De termen culturele sector, creatieve industrie en de creatieve klasse lopen nogal eens door elkaar en niet iedereen hanteert dezelfde definities. Het precies afbakenen van de culturele sector is dan ook lastig. Want waar trek je een grens? Bij de afbakening van de culturele en creatieve sector, om bijvoorbeeld de economische waarde van de sector te kunnen bepalen – denk aan werkgelegenheid en totale omzet – gebruikt het CBS een brede definitie. Volgens het CBS bestaat de sector uit drie subsectoren:  

  • kunsten en cultureel erfgoed (musea, beeldende kunst, podiumkunsten etc.);
  • media- en entertainmentindustrie (film- en muziekproductie, bioscopen, uitgeverijen, omroepen etc.);
  • creatieve zakelijke dienstverlening (architecten, ontwerpers, reclamebureaus etc.).

Cultuursubsidies

De sector ontvangt jaarlijks ruim 3 miljard euro subsidie. Het grootste gedeelte (60%) is afkomstig van gemeenten. Het gaat om 2 miljard euro. 30% van de subsidie-inkomsten komt van het Rijk (1 miljard euro). 10% komt van provincies (300 miljoen euro). De overige inkomsten zijn inkomsten van entreekaarten en sponsoring, in totaal 2 miljard euro.

Economische waarde

Bij een afbakening van de culturele sector in de drie subsectoren, is de toegevoegde waarde circa 3% van het bruto nationaal product, ofwel ongeveer 18 miljard euro. Volgens het CBS werken er 142 duizend mensen werkzaam in de sector. Dit is 1,75% van de totale werkgelegenheid. De meeste banen vallen in de subsector ‘media en entertainment’ (=36%).   

Cultuur is veel meer

Op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft het CBS in 2019 een eerste satellietrekening cultuur en media samengesteld. In deze satellietrekening wordt voor het jaar 2015 de bijdrage van cultuur en media aan de Nederlandse economie beschreven. In tegenstelling tot hierboven is hierbij niet uitgegaan van de drie bedrijfstakken die tot de cultuur- en mediasector worden gerekend, maar van goederen en diensten die als cultuur en media kunnen worden bestempeld. Immers: ook bedrijfstakken buiten de culturele sector kunnen cultuurgoederen produceren, evenals de cultuursector ook andere producten dan cultuurgoederen kan voortbrengen.

Uit de satellietrekening van het CBS blijkt dat de bijdrage van cultuur en media aan de totale Nederlandse economie (het bbp) 25,5 miljard euro bedraagt of wel 3,7 procent (2015). Ter referentie: dit is meer dan de bijdrage van sport (1,0 procent) en minder dan de bijdrage van toerisme (4,0 procent). En verder:

  • Uitgedrukt in arbeidsjaren bedroeg de werkgelegenheid in de cultuur- en mediasector 320 duizend. Dit is 4,5 procent van de totale werkgelegenheid. De arbeidsinzet van vrijwilligers is hierbij niet tot de werkgelegenheid gerekend.
  • De consumptieve bestedingen van huishoudens aan cultuur en media bedroegen 14,1 miljard euro of wel 4,7 procent van de totale consumptieve bestedingen van huishoudens in Nederland; dit komt neer op 1.700 euro per jaar per huishouden. Voor de goede orde: dit bedrag bestaat niet alleen uit uitgaven aan theater- en museumbezoek of het tv kijken of muziek luisteren, maar ook uit uitgaven aan de daarvoor onmisbare goederen en diensten zoals de tv-toestellen zelf.

Arbeidsmarkt

Het arbeidsvolume (in banen, zonder zelfstandigen) ontwikkelt zich de laatste jaren duidelijk anders dan in de gehele economie. Terwijl in de periode 2010 tot en met 2016 het arbeidsvolume in de gehele economie groeide met 2,1%, daalde het arbeidsvolume in de culturele en creatieve sector met 11,5%. Tegelijkertijd zien we dat het aantal zelfstandigen in de gehele economie toenam met 17%. In de culturele sector is dat 28%. Vooral in de subsector kunsten komen veel zelfstandigen voor (makers). Zowel absoluut als relatief: 42% van alle zelfstandigen binnen de culturele sector is werkzaam in de kunsten.

aantal zelfstandigen binnen de cultuur sector, en de verdeling tussen de subsectoren
Vooral in de subsector kunsten komen veel zelfstandigen voor (makers).

Ontwikkelingen

Nederland kent over het algemeen in zeer ruim aanbod aan culturele voorzieningen. Tel daarbij op dat Nederland een verdichte vrijetijdsmarkt heeft. De concurrentie om de schaarse vrije tijd van de consument of bezoeker is dan ook hoog. Een deel van de subsectoren zijn goed in staat in te spelen op de veranderende behoeften van de consument of bezoeker. Denk aan bioscopen die met goede geluid- en beeldkwaliteit een belevenis aanbieden. Een ander voorbeeld zijn de bibliotheken die meer diensten aanbieden dan alleen de boekencollectie. Een aantal ontwikkelingen:

  • er is sprake van festivalisering;
  • de komst van culturele omnivoren;
  • invloed digitalisering op de gehele productieketen;
  • de roep om diverse doelgroepen te bereiken;
  • regionalisering / i.c. een grotere rol van regio’s in het cultuurbeleid;
  • impact van cultuur komt centraal te staan in de verantwoording (sociaal-maatschappelijk en economisch)
  • arbeidsmarktpositsie van werkenden in de culturele sector

Kijk hier voor voorbeelden onderzoek uitgevoerd door Bureau Lahaut voor de culturele sector.